De staat en het koninkrijk van God
Marc Massaer
Evangelie: Mattheüs 22,15-21 — “Geef dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.”
Broeders en zusters,
Er zijn woorden van Jezus die zo bekend zijn, dat we gemakkelijk vergeten hoe revolutionair ze eigenlijk zijn. Vandaag horen we zo’n woord: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.” De farizeeën en de aanhangers van Herodes proberen Jezus in de val te lokken. Ze stellen Hem een politieke vraag: is het geoorloofd belasting te betalen aan de Romeinse keizer of niet? Zegt Jezus ja, dan dreigt Hij het volk tegen zich in het harnas te jagen. Zegt Hij nee, dan kan Hij als oproerkraaier worden aangeklaagd. Maar Jezus laat Zich niet vangen. Hij maakt dui-delijk dat er een onderscheid bestaat tussen het gezag van de staat en het gezag van God.
Wat betekent dat voor ons vandaag? Hoe verhouden wij ons als christenen tot de overheid, de samen-leving en het Koninkrijk van God? Moeten wij meer gehoorzamen aan vadertje staat of aan God de Vader?
1. De staat heeft gezag maar is niet God.
Jezus zegt niet dat de overheid onbelangrijk is. De staat heeft een eigen verantwoordelijkheid: de open-bare orde bewaren, recht beschermen, kwetsbaren helpen en het algemeen welzijn bevorderen. Als christenen mogen wij ons daarom niet zomaar aan onze maatschappelijke verantwoordelijkheid onttrek-ken. Wij betalen belastingen, respecteren rechtmatige wetten en dragen bij aan het gemeenschappelijk welzijn. Ook onze stem, onze inzet voor de naaste en onze betrokkenheid bij het dorp en de samenleving kunnen een christelijk getuigenis zijn.
Maar Jezus stelt tegelijk een grens. De keizer is geen God. De overheid heeft niet het laatste woord over ons geweten, onze menselijke waardigheid en onze bestemming. Wanneer de staat vraagt wat tegen Gods geboden ingaat, wanneer mensen worden vernederd of het leven niet meer wordt geëerbiedigd, dan kan een christen niet eenvoudigweg zeggen: “De overheid heeft het beslist, dus het zal wel goed zijn.”
Ons geweten moet gevormd worden door het evangelie. De staat kan onze uiterlijke handelingen regelen, maar kan niet de plaats van God innemen. De christen is een goede burger, maar zijn diepste trouw behoort aan God.
2. Het Koninkrijk van God begint in het hart.
Jezus vraagt om de munt van de keizer. Op die munt staat het beeld van de keizer. Maar dan dringt zich een diepere vraag op: wie draagt het beeld van God? De mens zelf.
In het eerste hoofdstuk van de Bijbel lezen we dat God de mens geschapen heeft naar zijn beeld en gelijke-nis. Dat betekent dat wij uiteindelijk aan God toebehoren. Niet aan de macht, niet aan het geld, niet aan politieke ideologieën, niet aan de mening van de meerderheid. Wij dragen het beeld van God in ons. Daar-om kan geen enkele overheid ons volledig opeisen. Onze diepste identiteit ligt niet in onze nationaliteit, maatschappelijke positie of politieke overtuiging. Zij ligt in het feit dat wij door God gewild en bemind zijn. Het Koninkrijk van God begint wanneer wij dat opnieuw ontdekken en ernaar gaan leven. Wanneer wij eerlijk zijn, ook als de oneerlijkheid ons voordeel zou opleveren. Wanneer wij vergeven, ook als we liever wraak zouden nemen. Wanneer wij een eenzame bezoeken, een arme helpen of opkomen voor iemand die geen stem heeft.
Daar, in die kleine en vaak verborgen daden van liefde, wordt het Koninkrijk van God zichtbaar. Het Ko-ninkrijk van God is geen politieke macht die anderen overheerst. Het is Gods heerschappij van waarheid, gerechtigheid, barmhartigheid en liefde. En die heerschappij begint in ons eigen hart.
3. Wij leven in de wereld maar wij behoren aan God toe.
In de eerste lezing horen we hoe God zelfs de Perzische koning Cyrus kan gebruiken om zijn plannen te verwezenlijken. God is niet beperkt tot de grenzen van Israël. Hij blijft Heer van de geschiedenis, ook wanneer machthebbers Hem niet kennen of erkennen.
Dat is een belangrijke boodschap voor onze tijd. Wij kunnen ons zorgen maken over de politiek, over oorlogen, over Trump of Poetin, over de toekomst van Europa en over de plaats van het christelijk geloof in de samenleving. Maar de bijbel nodigt ons uit verder te kijken. Geen enkele politiek macht is eeuwig; geen enkel rijk heeft het laatste woord. Alleen God heeft het laatste woord over de gehele schepping.
Dat betekent niet dat wij onze ogen moeten sluiten voor wat er misgaat. Integendeel, juist omdat wij geloven in Gods Koninkrijk mogen wij ons inzetten voor een samenleving waarin ieder mensenleven van het begin tot het einde telt en gerespecteerd dient te worden.
Ook als parochie hebben wij daarin een roeping. De kerk is niet geroepen om een politieke partij te worden, maar om Christus zichtbaar te maken en christelijk te leven. Onze kerken moeten plaatsen zijn waar mensen ontdekken dat zij niet vergeten zijn; waar vergeving mogelijk is, waar gebeden wordt voor de vrede in de wereld en waar de zwakke mens niet aan zijn lot wordt overgelaten.
Misschien zijn we met weinig mensen. Misschien lijkt onze invloed klein. Maar het koninkrijk van God wordt niet gemeten aan aantallen, geld of macht. Het begint waar mensen zich aan Christus toever-trouwen en zijn liefde doorgeven
Broeders en zusters in Christus,
Jezus vraagt ons vandaag niet alleen wat wij aan de staat moeten geven. Hij stelt ons een veel persoon-lijker vraag: wat geven wij aan God?
Aan de keizer kunnen wij een munt geven; aan God kunnen we onszelf geven. Onze Liefde, ons hart, onze tijd, onze talenten, onze zorgen, onze toekomst. Ook dat kunnen geven wat wij liever zelf in handen hou-den. Want God wil ons niet beheersen zoals een machtige heerser zijn onderdanen beheerst. Hij wil ons bevrijden, ons hart vernieuwen met zijn liefde en barmhartigheid en ons leren liefhebben zoals Christus ons liefheeft.
Laten wij dus nooit vergeten dat wij ten diepste toebehoren aan God en dat wij de roeping hebben te ge-tuigen van God woord en Gods geboden in ons persoonlijk leven.
Geef aan de staat wat aan de staat toekomt. Maar geef je hart aan God. Wat de keizer kan een munt op-eisen, maar alleen God kan ons hart vervullen. Amen.
